Van Speyk. – De tiendaagsche veldtocht.
(Uit de geschiedenis des Vaderlands.)
Nog eenmaal beproefde de Prins van Oranje door middel van een proclamatie, waarin hij zich aan het hoofd de beweging stelde en de onafhankelijkheid van Belgie erkende, de oproerlingen tot onderwerping te brengen; zelfs liet hij de gevangenen zonder uitwisseling vrij.
Maar deze stap bleef zonder uitwerking op de Belgen en maakte de verontwaardiging der getrouw gebleven Noord Nederlanders gaande.
Intuschen hadden de Hollandsche troepen Mechelen verlaten en de vijand, hierdoor aangemoedigd besloot Antwerpen te vermeesteren.
Dit kon niet geschieden zolang de brug bij Waelheim over de Nethe nog in onze handen was.
Verscheiden malen werd de vijand voor deze stelling aangewezen, bij die aanvallen sneuvelde de Graaf van Marade, een der hoofdaanleggers van den opstand. Spoedig daarna trokken al de Hollansche troepen over Antwerpen naar Noord Brabant, de weinige soldaten, in die stad achtergebleven, waren niet in staat het oproerige gemeen te beteugelen; het gelukte de muiters te poorten te vermeesteren en de Brusselsche oproermakers binnen te laten. In hun
overmoed eischten zij het kasteel op en de oorlogsschepen, die voor de stad lagen.
Generaal Ghassé bevelhebber der Citadel weigerde natuurlijk hieraan te voldoen en dreigde de stad te beschietten, zoo men de weinigen soldaten die zich daarin bevonden. niet ongemoeid liet aftrekken waarop een wapenstilstand gesloten werd, toen de muiters echter deze overeenkomst verbraken, uit de huizen op de aftrekkende soldaten schoten en kolonel Eymael van de zevende afdeling infanterie door een kogel doodelijk getroffen werd, gaf Chasé eindelijk gehoor aan de dringende voorstellen dergenen, die hem omringden, en begon het geschut der Citadel op de stad te spelen de Scheepmacht op de Schelde was hem hierin reeds voorgegaan; nadat de muiters, de kanonneerboot van den luitenant Jan Carel Josephus van Speyk van zeil en tuig beroofd hebbende, met grof geschut waren afgewezen. In één ogenblik tijds was de gansche kade leeg gevaagd; alom verspreide zich schrik en verwarring.
Bommen, granaten en brandkogels doorkruisten de lucht; op verscheiden plaatsen ontstond er brand.
Vier uren lang werd Antwerpen gebombardeerd, 250 huizen platgeschoten en meer dan 400 min of meer beschadigd men zegt, dat telkens, wanneer de Nederlansche vaan op het kasteel en de vlaggen op de shepen uit de kruit wolken te voorschijn kwamen, verlicht door den gloed der brandende gebouwen, op dat gezicht bij het Nederlansche oorlogsvolk een uitbarsting van geestdrift iswaargenomen.
Een gelijken indruk bracht de tijding der gewichtige gebeurtenis overal in Nederland teweeg, Het oproer had gezegevierd in België, maar op den eisch der overwinnaars, die hun gebied dreigden uit te breiden over de grensen van oud-Nederland, was antwoord gegeven door het bombardement van Antwerpen.
Het jaar 1830 verliep met langdurige beraadslagingen der Londensche Conferentie; doch in plaats van den Koning met raad en daad bij te staan, erkende zij het nieuwe bestuur van België en bepaalde dat de noordelijke van de zuidelijke Provinciën moesten gescheiden worden, Koning Willem stemde er in toe, te meer omdat een scheiding algemeen door de Noord-Nederlanders gewenscht werd.
De Belgen verklaarden het stamhuis van Oranje voor altyd vervallen van de heerschappij ende Conferentie sloeg een schikking voor, waarbij Holland teruggebracht werd binnen de grenzen, die de Republiek vóór 1791 bezat.
Inmiddels verlangden de Belgen een Koning en benoemden voorloopig tot Regent den heer Surlet, de Chokier, een voormalig lid der Tweede Kamer.
Er kwam een wapenstilstand tot stand, tengevolge waarvan het aan onze troepen niet vergund werd de stad Venlo, door het verraad van den Generaal Daine in de handen der muiters gevallen, te heroveren.
Al de vernederingen, door onze krijgslieden in den laatsten tijd verduurd, hadden niets dan moedeloosheid en neerslachtigheid teweeggebracht, en zelfs in het buitenland werd de dapperheid der Belgen hemelhoog geprezen en de zoogenaamde lafheid der Hollanders gelaakt en veracht.
Aan deze moedeloosheid en onjuiste beoordeling van de zonen eener natie, die steeds te land en ter zee zooveel dappere mannen heeft kunnen aanwijzen, maakte de bovengenoemde luitenant Jan Carel Josephus van Speyk een einde door zijnmoedige selfopoffering, die ik u thans in korte woorden zal trachten te schetsen.
Toen de winter voorbijgegaan en de Schelde van drijfijs bevrijd was, gaf kommandant Koopman last, dat ieder vaartuig zich weer op zijn post zou begeven.
Dien ten gevolge zette Van Speyk met zijn kanonneerboot N°. 2 koers naar Oosterweel, een .dorp dicht bij de stad, een hevige windvlaag zweepte het vaartuig naar den wal van Antwerpen.
Op dit gezicht springt dadelijk een bende gewapende Bel­gen bij hem aan boord, terwijl een nog groter aan­tal op de kaai zich verza­melt en de geweren laadt.
Twee Belgische officieren eischen van den jeugdigen held dat hij zich overgeve en zijn papieren toone.
Vastberaden - want aan tegenstand valt niet te denken - antwoordt Van Speyk: “Ik zal ze gaan halen” intusschen rukken de Belgen, zich reeds van de overwinning zeker wanende, de Hollandsche vlag omlaag, maar eer nog die vlag zoo langen tijd bewaard, door de opgewonden menigte vertrapt en bespot wordt, neemt de onvergetelijke held een geladen geweer, schiet het af in 't kruit en vliegt met vriend en vijand in de lucht dit (5 febr. 1831).
Veertien man van zijn scheepsvolk schoten er het leven bij in, behalve een grote menigte Belgen, wier getal niet juist kan bepaald worden.
Vijf anderen ontkwamen den dood, waaronder ook de scheepsjongen Wijler, die zijn bevel­hebber op de trap ontmoetende, hem met bevende lippen vroeg: Komandant, “gaat u het vuur in het kruit steken?" en slechts ten antwoord kreeg: “Jongen, berg je!” Zóó stierf Van Speyk,. die, gelijk de kapitein ter zee Koopman het uitdrukte, door deze nauwgezette plichtsvervulling het zegel drukte op het ridderkruis, hem een jaar te voren door den Koning vereerd.
Zijn heldendood deed den moed en het zelfvertrouwen bij leger en vloot herleven, en al wat strijdbaar was van de begeerte ontgloeien, den dood des helds te wreken.
Bij koninklijk besluit werd bepaald, dat voortaan steeds in ‘s lands zeemacht een oorlogsschip den naam Van Speyk zou voeren; terwijl te Amsterdam, zijn geboorteplaats, in de Nieuwe Kerk een grafteeken voor hem werd opgericht.
Voorts ontving de sedert gebouwde vuurtoren, te Egmond aan Zee, den naam diens moedigen jongelings. Met een der tallooze dichters, die Van Speyks heldendood bezongen, roepen wij uit:
 
„Vaderland, pleng vreugdetranen
Bij 't aanschouwen van uw held!
SPEYK heeft smaad en hoon Gewroken!
Dondrend heeft hij straks gesproken
En uw Eer op 't schoonst hersteld."